Certificaat voor grondbehandeling : TRA 15

In het najaar van 2011 legt COPRO vzw de laatste hand aan het “toepassingsreglement voor met bindmiddelen behandelde grond geproduceerd op een werf”, TRA 15. Eind 2010 werd TRA 15 reeds opgenomen in het standaardbestek 250.

Dit nieuwe reglement legt specifieke voorwaarden vast voor de behandeling van uitgegraven bodem met hydraulische bindmiddelen zoals o.a. kalk en cement.

TRA 15 is van toepassing op grondverbetering of - stabilisatie op de werf of op een tussentijdse opslagplaats verbonden aan de werf (W-TOP). Het reglement bouwt verder op de gekende grondverzetsregeling (Vlarebo). Zo dient de behandelde grond voorzien te zijn van een conformverklaard technisch verslag en de nodige bodembeheerraporten.

We benadrukken dat de besprekingen over TRA 15  tussen de verschillende betrokkenen nog niet afgerond zijn. In afwachting van de definitieve versie, geven we al een overzicht van de belangrijkste principes van dit reglement.

Principes

TRA 15 combineert een systeem van zelfcontrole door de certificaathouder met externe controles door een certificatie-instelling.

1. Zelfcontrole

Basisvereisten: beschikken over een menginstallatie, een aangepaste opslagruimte voor de bindmiddelen en een zeefinstallatie. Voor de zelfcontrole kan de certificaat-houder kiezen tussen het eigen (intern) labo of een extern labo.

Optimale bindmiddelendosering

De meest optimale bindmiddelendosering wordt bepaald aan de hand van het vooronderzoek en de bindmiddelenstudie.

Eerst en vooral worden de karakteristieken van de onbehandelde grond bepaald,  op basis van o.a. de korrelgrootteverdeling en de methyleenblauwproef. Ook op het bindmiddel zelf dienen een aantal proeven te gebeuren, afhankelijk van het type. Dit is echter niet nodig voor Benor of COPRO-gecertificeerde bindmiddelen.

Voor het bepalen van de optimale bindmiddelendosering wordt een proctorcurve opgemaakt, waarbij de draagkracht van de verdichte stalen wordt bepaald bij verschillende vochtgehaltes en bindmiddelenpercentages. Dit laat toe om het meest geschikte bindmiddel én de dosering te bepalen. Uiteraard moet dit steeds in overeenstemming zijn met de technische eisen van het bestek.

Controle tijdens uitvoering

Tijdens de uitvoering controleert de aannemer regelmatig het vochtgehalte en de verkruimelingsgraad, alsook de dosering van de bindmiddelen.

Tenslotte wordt ook de behandelde en toegepaste grond (het product) getest aan de hand van o.a. IPI en CBR-proeven. Bij het frezen van toplagen met de mobiele machine worden sonderingen uitgevoerd.

Alle handelingen en de resultaten van deze interne controle worden genoteerd in het werfregister.

2. Externe controle

Tijdens de periodieke controlebezoeken gaat de certificatie-instelling na of de voorschriften opgelegd in de zelfcontrole (ivm de opslag, controles, werfregister, enz) worden nageleefd. Ook worden er controleproeven uitgevoerd. Als er problemen worden vastgesteld kunnen, in overleg met de certificatie-instelling en de bouwheer, bijkomende controleproeven worden opgelegd.

3. Toekennen certificaat

Na het doorlopen van een toelatingsperiode wordt een certificaat afgeleverd. Het certificaat wordt afgeleverd per aannemer die instaat voor de grondbehandeling. De certificaathouder krijgt daardoor het recht op het gebruik van het merk COPRO voor alle werven waar TRA 15 wordt toegepast.

Heeft u vragen over TRA 15? neem gerust contact op met Johny De Nutte, COPRO vzw, jdn@copro.eu

Andy Heurckmans
vzw Grondbank

 

 

Certificaat voor grondbehandeling : TRA 15